Datasets:
| question_id,question,human_answer,human_attribution,model_answer,model_attribution | |
| 1,Wanneer blijft het verstrekken van informatie ingevolge een verzoek onder de Wet openbaarheid van bestuur (WOB) achterwege?,"Het verstrekken van informatie ingevolge deze wet blijft achterwege voor zover dit: a. de eenheid van de Kroon in gevaar zou kunnen brengen; b. de veiligheid van de Staat zou kunnen schaden; c. bedrijfs- en fabricagegegevens betreft, die door natuurlijke personen of rechtspersonen vertrouwelijk aan de overheid zijn meegedeeld; d. persoonsgegevens betreft als bedoeld in de artikelen 9, 10 en 87 van de Algemene verordening gegevensbescherming, tenzij de verstrekking kennelijk geen inbreuk op de persoonlijke levenssfeer maakt. Het verstrekken van informatie ingevolge deze wet blijft eveneens achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen: a. de betrekkingen van Nederland met andere staten en met internationale organisaties; b. de economische of financiële belangen van de Staat, de andere publiekrechtelijke lichamen of de in artikel 1a, onder c en d, bedoelde bestuursorganen; c. de opsporing en vervolging van strafbare feiten; d. inspectie, controle en toezicht door bestuursorganen; e. de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer; f. het belang, dat de geadresseerde erbij heeft als eerste kennis te kunnen nemen van de informatie; g. het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden.","DOC12988,DOC12989",, | |
| 2,Wanneer kan het bezwaarschrift worden ingediend voor een WOB (wet openbaarheid van bestuur) verzoek?,"Het bezwaarschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen. artikel 6:12, eerste en vierde lid, van de algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing. Het bestuursorgaan beslist op het verzoek om informatie zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen vier weken gerekend vanaf de dag na die waarop het verzoek is ontvangen.","DOC13006,DOC12983",, | |
| 3,Wanneer eindigt het referentschap in ieder geval?,"Het referentschap eindigt in ieder geval, indien: a. ten behoeve van het verblijf van de vreemdeling in Nederland een ander als referent optreedt; b. de verblijfsvergunning van de vreemdeling is gewijzigd; c. de vreemdeling in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 20; d. de vreemdeling Nederlander wordt of krachtens enige wet als Nederlander moet worden behandeld; e. de referent aan Onze Minister overeenkomstig door Onze Minister gestelde regels naar waarheid mededeling heeft gedaan van de beëindiging van diens aan het referentschap ten grondslag liggende relatie tot de vreemdeling, dan wel van het definitieve vertrek van de vreemdeling uit Nederland; f. de vreemdeling is overleden.",DOC21946,, | |
| 4,Wanneer kan onze minister de aanvraag tot erkenning als referent of tot wijziging van de erkenning als referent afwijzen?,"Onze Minister kan de aanvraag tot erkenning als referent of tot wijziging van de erkenning als referent afwijzen, indien: a. de aanvrager, voor zover vereist op grond van de Handelsregisterwet 2007, niet is ingeschreven in het handelsregister, bedoeld in artikel 2 van die wet; b. de continuïteit en solvabiliteit van de onderneming, rechtspersoon of organisatie onvoldoende is gewaarborgd; c. de betrouwbaarheid van de aanvrager of van de direct of indirect bij die onderneming, rechtspersoon of organisatie betrokken natuurlijke of rechtspersonen of ondernemingen onvoldoende vast staat; d. de erkenning als referent van de aanvrager of van de direct of indirect bij die onderneming, rechtspersoon of organisatie betrokken rechtspersonen of ondernemingen binnen een periode van vijf jaar direct voorafgaand aan de aanvraag is ingetrokken; e. de aanvrager niet voldoet aan de vereisten die verband houden met het doel waarvoor de vreemdeling in Nederland verblijft of wil verblijven, waaronder in ieder geval kan worden verstaan de aansluiting bij en naleving van een gedragscode.","DOC21950,DOC21951",, | |
| 5,Wanneer kan onze minister de erkenning als referent intrekken?,"Onze Minister kan de erkenning als referent intrekken, indien: a. de erkenning is verleend op grond van onjuiste of onvolledige gegevens; b. de erkende referent niet langer voldoet aan de voorwaarden voor erkenning; c. de erkende referent zich niet heeft gehouden aan zijn verplichtingen als referent, of d. de erkende referent daarom verzoekt.",DOC21953,, | |
| 6,"Wanneer kan onze minister alsnog voorschriften aan een reeds verleende machtiging tot voorlopig verblijf of reeds verleend terugkeervisum verbinden, voorschriften die daaraan zijn verbonden wijzigen, alsnog beperkingen daaraan verbinden, beperkingen wijzigen, de geldigheidsduur inkorten dan wel de machtiging tot voorlopig verblijf of het terugkeervisum intrekken?","Onze Minister kan alsnog voorschriften aan een reeds verleende machtiging tot voorlopig verblijf of reeds verleend terugkeervisum verbinden, voorschriften die daaraan zijn verbonden wijzigen, alsnog beperkingen daaraan verbinden, beperkingen wijzigen, de geldigheidsduur inkorten dan wel de machtiging tot voorlopig verblijf of het terugkeervisum intrekken: a. op aanvraag; b. indien uit naderhand gebleken feiten en omstandigheden komt vast te staan dat verlening ervan onjuist was; c. indien feiten en omstandigheden zodanig zijn gewijzigd dat deze zich verzetten tegen de handhaving of ongewijzigde handhaving van het verleende; of d. indien de vreemdeling de op hem rustende verplichtingen krachtens deze wet niet naleeft.","DOC21959,DOC21960",, | |
| 7,Wanneer kan onze minister een aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf dan wel terugkeervisum buiten behandeling laten zonder de aanvraag in gelegenheid te hebben gesteld de aanvraag aan te vullen?,"In afwijking van artikel 4:5, eerste en vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan Onze Minister een aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf dan wel terugkeervisum buiten behandeling laten zonder de aanvrager in de gelegenheid te hebben gesteld de aanvraag aan te vullen indien: a. de door de vreemdeling ingediende aanvraag niet door de vreemdeling in persoon is ingediend; b. voor de aanvraag in voorkomend geval geen gebruik is gemaakt van een daartoe voorgeschreven formulier dat volledig is ingevuld en ondertekend; c. de aanvraag niet is gesteld in de Nederlandse, Franse of Engelse taal; of d. de ter afdoening van de aanvraag verschuldigde leges niet zijn betaald.",DOC21961,, | |
| 8,Wanneer kan onze minister een machtiging tot voorlopig verblijf verlenen aan de vreemdeling?,Onze Minister kan een machtiging tot voorlopig verblijf verlenen aan de vreemdeling ten aanzien van wie is aangetoond dat hij voldoet aan de vereisten voor toegang en verlening van een verblijfsvergunning.,DOC21963,, | |
| 9,Wanneer kan een aanvraag tot het verlenen van een reguliere verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor een vreemdeling worden afgewezen?,"Een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 kan worden afgewezen indien: a. de vreemdeling niet beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd; b. de vreemdeling niet beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding; c. de vreemdeling niet zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan dan wel, indien de persoon bij wie de vreemdeling wil verblijven, niet zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan; d. de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid; e. de vreemdeling niet bereid is om medewerking te verlenen aan een medisch onderzoek naar een ziekte aangewezen bij of krachtens de Wet publieke gezondheid, ter bescherming van de volksgezondheid of een medische behandeling tegen een dergelijke ziekte te ondergaan; f. de vreemdeling voor een werkgever arbeid verricht, zonder dat aan de Wet arbeid vreemdelingen is voldaan; g. de vreemdeling niet voldoet aan de beperking, verband houdende met het doel waarvoor hij wil verblijven; h. de vreemdeling, die niet behoort tot een der categorieën, bedoeld in artikel 17, eerste lid, na verkrijging van rechtmatig verblijf in Nederland inburgeringsplichtig zou zijn op grond van de artikelen 3 en 4 van de Wet inburgering 2021 en niet beschikt over kennis op basisniveau van de Nederlandse taal en de Nederlandse maatschappij; i. de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden terwijl die gegevens tot afwijzing van een eerdere aanvraag tot het verlenen, verlengen of wijzigen van een visum of een verblijfsvergunning hebben geleid of zouden hebben geleid; j. de vreemdeling in Nederland verblijf heeft gehouden, anders dan op grond van artikel 8. k. ten behoeve van het verblijf van de vreemdeling geen verklaring van een referent is overgelegd als bedoeld in artikel 2a, eerste lid.","DOC22007,DOC22008",, | |
| 10,Wanneer kan een aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 Vw worden afgewezen?,"Een aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 kan worden afgewezen indien: a. de houder daarvan zijn hoofdverblijf buiten Nederland heeft gevestigd; b. de vreemdeling niet beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding; c. de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden terwijl die gegevens tot afwijzing van de oorspronkelijke aanvraag tot het verlenen of verlengen zouden hebben geleid; d. de vreemdeling niet meer zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan dan wel de persoon bij wie de vreemdeling verblijft niet meer zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan; e. de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid; f. niet wordt voldaan aan de beperking waaronder de vergunning is verleend of een voorschrift dat aan de vergunning is verbonden; g. de vreemdeling voor een werkgever arbeid verricht, zonder dat aan de Wet arbeid vreemdelingen is voldaan; h. ten behoeve van het verblijf van de vreemdeling geen verklaring van een referent is overgelegd als bedoeld in artikel 2a, eerste lid; i. de vreemdeling niet heeft voldaan aan de inburgeringsplicht, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Wet inburgering 2021.","DOC22015,DOC22016",, | |
| 11,Wanneer kan een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd worden ingetrokken?,"De verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, bedoeld in artikel 20, kan worden ingetrokken indien: a. de houder daarvan zijn hoofdverblijf buiten Nederland heeft gevestigd; b. de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden terwijl die gegevens tot afwijzing van de aanvraag tot het verlenen, wijzigen of verlengen zouden hebben geleid; c. de houder daarvan bij onherroepelijk geworden rechterlijk vonnis is veroordeeld wegens een misdrijf waartegen een gevangenisstraf van drie jaren of meer is bedreigd, dan wel hem terzake de maatregel, bedoeld in artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht, is opgelegd; of d. de vreemdeling een gevaar vormt voor de nationale veiligheid.",DOC22024,, | |
| 12,Wanneer kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd worden verleend aan een asielzoeker?,"Een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 kan worden verleend aan de vreemdeling: a. die verdragsvluchteling is; of b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt op ernstige schade, bestaande uit: 1°. doodstraf of executie; 2°. folteringen, onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen; of 3°. ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict.",DOC22038,, | |
| 13,Wanneer kan een asiel verblijfsvergunning voor bepaalde tijd worden verleend aan de gezinsleden van een asielzoeker?,"Een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 kan voorts worden verleend aan de hierna te noemen gezinsleden, indien deze op het tijdstip van binnenkomst van de in het eerste lid bedoelde vreemdeling behoorden tot diens gezin en gelijktijdig met die vreemdeling Nederland zijn ingereisd dan wel zijn nagereisd binnen drie maanden nadat aan die vreemdeling de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 28, is verleend: a. de echtgenoot of het minderjarige kind van de in het eerste lid bedoelde vreemdeling; b. de vreemdeling die als partner of meerderjarig kind van de in het eerste lid bedoelde vreemdeling zodanig afhankelijk is van die vreemdeling, dat hij om die reden behoort tot diens gezin; c. de ouders van de in het eerste lid bedoelde vreemdeling, indien die vreemdeling een alleenstaande minderjarige is in de zin van artikel 2, onder f, van Richtlijn 2003/86/EG van de Raad van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging (PbEU 2003, L 251).","DOC22038,DOC22039",, | |
| 14,Wanneer kan de aanvraag van een asiel verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet-ontvankelijk worden verklaard?,"Een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 kan niet-ontvankelijk worden verklaard in de zin van artikel 33 van de Procedurerichtlijn, indien: a. de vreemdeling in een andere lidstaat van de Europese Unie internationale bescherming geniet; b. de vreemdeling erkend is als vluchteling in een derde land en hij die bescherming nog kan genieten of anderszins voldoende bescherming geniet in dat land, met inbegrip van het beginsel van non-refoulement, en opnieuw tot het grondgebied van dat land wordt toegelaten; c. een derde land voor de vreemdeling als veilig derde land wordt beschouwd; d. de vreemdeling een opvolgende aanvraag heeft ingediend waaraan door de vreemdeling geen nieuwe elementen of bevindingen ten grondslag zijn gelegd of waarin geen nieuwe elementen of bevindingen aan de orde zijn gekomen die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de aanvraag; of e. aan de vreemdeling reeds een verblijfsvergunning is verleend op grond van artikel 29, eerste lid.",DOC22042,, | |
| 15,Wanneer kan de aanvraag tot het verlenen van een asiel verblijfsvergunning voor bepaalde tijd afgewezen worden als kennelijk ongegrond in de zin van artikel 32 lid 2?,"Een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 kan worden afgewezen als kennelijk ongegrond in de zin van artikel 32, tweede lid, van de Procedurerichtlijn, indien: a. de vreemdeling bij de indiening van zijn aanvraag en de toelichting van de feiten alleen aangelegenheden aan de orde heeft gesteld die niet ter zake doen met betrekking tot de vraag of hij in aanmerking komt voor verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28; b. de vreemdeling afkomstig is uit een veilig land van herkomst in de zin van de artikelen 36 en 37 van de Procedurerichtlijn; c. de vreemdeling Onze Minister heeft misleid door omtrent zijn identiteit of nationaliteit valse informatie of documenten te verstrekken of door relevante informatie of documenten die een negatieve invloed op de beslissing hadden kunnen hebben, achter te houden; d. de vreemdeling waarschijnlijk, te kwader trouw, een identiteits- of reisdocument dat ertoe kon bijdragen dat zijn identiteit of nationaliteit werd vastgesteld, heeft vernietigd of zich daarvan heeft ontdaan; e. de vreemdeling kennelijk inconsequente en tegenstrijdige, kennelijk valse of duidelijk onwaarschijnlijke verklaringen heeft afgelegd die strijdig zijn met voldoende geverifieerde informatie over het land van herkomst, waardoor zijn verklaringen alle overtuigingskracht wordt ontnomen met betrekking tot de vraag of hij in aanmerking komt voor verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28; f. de vreemdeling zijn aanvraag enkel heeft ingediend teneinde zijn uitzetting of overdracht uit te stellen of te verijdelen; g. de vreemdeling een opvolgende aanvraag heeft ingediend en deze niet overeenkomstig artikel 30a, eerste lid, onderdeel d of e, niet-ontvankelijk is verklaard; h. de vreemdeling Nederland onrechtmatig is binnengekomen of zijn verblijf op onrechtmatige wijze heeft verlengd en zich, gezien de omstandigheden van zijn binnenkomst, zonder gegronde reden niet zo snel mogelijk bij een ambtenaar belast met de grensbewaking of het toezicht op vreemdelingen heeft aangemeld, en daar kenbaar heeft gemaakt dat hij internationale bescherming wenst; i. de vreemdeling weigert te voldoen aan de verplichting zijn vingerafdrukken te laten nemen; j. de vreemdeling op ernstige gronden een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid; of k. de vreemdeling onder dwang is uitgezet om ernstige redenen van openbare veiligheid of openbare orde.","DOC22044,DOC22045,DOC22046",, | |
| 16,Wanneer kan een asiel verblijfsvergunning voor bepaalde tijd buiten behandeling worden gesteld?,"Een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 kan buiten behandeling worden gesteld in de zin van artikel 28 van de Procedurerichtlijn, indien: a. de vreemdeling heeft nagelaten te antwoorden op verzoeken om informatie te verstrekken die van wezenlijk belang is voor zijn aanvraag; b. de vreemdeling niet is verschenen bij een gehoor en hij niet binnen een termijn van twee weken heeft aangetoond dat dit niet aan hem is toe te rekenen; of c. de vreemdeling is verdwenen of zonder toestemming van Onze Minister is vertrokken en hierover toerekenbaar niet binnen een termijn van twee weken contact heeft opgenomen met de bevoegde autoriteiten.",DOC22047,, | |
| 17,Wanneer kan een asiel verblijfsvergunning voor bepaalde tijd worden ingetrokken dan wel de aanvraag voor verlenging van de geldigheidsduur ervan worden afgewezen?,"De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 kan worden ingetrokken dan wel de aanvraag voor verlenging van de geldigheidsduur ervan kan worden afgewezen indien: a. de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden terwijl die gegevens tot afwijzing van de oorspronkelijke aanvraag tot het verlenen of verlengen zouden hebben geleid; b. de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid; c. de grond voor verlening, bedoeld in artikel 29, is komen te vervallen; d. de vreemdeling zijn hoofdverblijf buiten Nederland heeft gevestigd; e. het een vergunning betreft die is verleend aan een gezinslid als bedoeld in artikel 29, tweede lid, en dat gezinslid niet of niet langer een werkelijk huwelijks- of gezinsleven onderhoudt met de vreemdeling, bedoeld in het artikel 29, eerste lid.",DOC22055,, | |
| 18,Wanneer kan een asiel verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd worden ingetrokken?,"De verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 33 kan worden ingetrokken indien: a. de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden terwijl die gegevens tot afwijzing van de aanvraag tot het verlenen of verlengen zouden hebben geleid; b. de vreemdeling bij onherroepelijk geworden rechterlijk vonnis is veroordeeld wegens een misdrijf waartegen een gevangenisstraf van drie jaren of meer is bedreigd, dan wel hem terzake de maatregel, bedoeld in artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht, is opgelegd; c. de vreemdeling zijn hoofdverblijf buiten Nederland heeft gevestigd; d. de vreemdeling een gevaar vormt voor de nationale veiligheid.",DOC22061,, | |
| 19,Wanneer wordt de aanvraag van een EU-verblijfsvergunning voor een langdurig ingezetenen afgewezen?,"De aanvraag tot het verlenen van een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen wordt afgewezen, indien de vreemdeling direct voorafgaande aan de aanvraag: a. een verblijfsrecht van tijdelijke aard heeft op grond van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14; b. een formeel beperkt verblijfsrecht heeft; c. verblijf heeft op grond van een bijzondere geprivilegieerde status; d. verblijf heeft op grond van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28, die niet is verleend op grond van artikel 29, eerste lid, onder a of b; e. verblijf heeft op grond van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28, die is verleend op grond van artikel 29, tweede lid, bij een vreemdeling die in het bezit is van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28, die niet is verleend op grond van artikel 29, eerste lid, onder a of b.",DOC22085,, | |
| 20,Wanneer kan een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen worden ingetrokken?,"De EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen kan worden ingetrokken, indien: a. de vreemdeling een aaneengesloten periode van twaalf maanden of langer buiten het grondgebied van de Europese Unie, dan wel zes jaar of langer buiten Nederland heeft verbleven; of b. de vreemdeling een actuele en ernstige bedreiging voor de openbare orde of de nationale veiligheid vormt.",DOC22090,, | |
| 21,Wanneer kan een vreemdeling met rechtmatig verblijf in bewaring worden gesteld door de minister?,"De vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, onder f, g of h, voor zover dit betrekking heeft op een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28, kan door Onze Minister in bewaring worden gesteld, indien: a. bewaring noodzakelijk is met het oog op vaststelling van de identiteit of nationaliteit van de vreemdeling; b. bewaring noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28, met name indien er sprake is van een risico op onttrekking; c. de vreemdeling: 1°. in bewaring werd gehouden in het kader van een terugkeerprocedure uit hoofde van de Terugkeerrichtlijn; 2°. reeds de mogelijkheid van toegang tot de asielprocedure heeft gehad; en 3°. op redelijke gronden aangenomen kan worden dat hij de aanvraag louter heeft ingediend om de uitvoering van het terugkeerbesluit uit te stellen of te verijdelen; of d. de vreemdeling een gevaar vormt voor de nationale veiligheid of openbare orde als bedoeld in artikel 8, derde lid, onderdeel e, van de Opvangrichtlijn.","DOC22128,DOC22129",, | |
| 22,Wanneer kan de ongewenstverklaring opgeheven worden?,"De ongewenstverklaring wordt opgeheven indien de vreemdeling tien jaren onafgebroken buiten Nederland verblijf heeft gehad en zich in die periode geen van de gronden, bedoeld in artikel 67, eerste lid, hebben voorgedaan.",DOC22154,, | |
| 23,Wanneer oefent een regent het koninklijk gezag uit?,Het koninklijk gezag wordt uitgeoefend door een regent: a. zolang de Koning de leeftijd van achttien jaar niet heeft bereikt; b. indien een nog niet geboren kind tot het koningschap geroepen kan zijn; c. indien de Koning buiten staat is verklaard het koninklijk gezag uit te oefenen; d. indien de Koning de uitoefening van het koninklijk gezag tijdelijk heeft neergelegd; e. zolang na het overlijden van de Koning of na diens afstand van het koningschap een opvolger ontbreekt.,DOC1536,, | |
| 24,Wanneer heeft een werknemer geen recht op een uitkering voor werkloosheid?,"Geen recht op uitkering heeft de werknemer die: a. een uitkering ontvangt op grond van de Ziektewet of een uitkering die naar aard en strekking daarmee overeenkomt; b. een arbeidsongeschiktheidsuitkering dan wel een loongerelateerde uitkering van de werkhervattingsuitkering gedeeltelijk arbeidsgeschikten ontvangt op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen; c. een uitkering ontvangt op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van ten minste 80%, of een uitkering ontvangt die naar aard en strekking met die uitkering overeenkomt; d. een uitkering ontvangt op grond van hoofdstuk III van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van ten minste 80%, of een toelage op grond van dat hoofdstuk, die, al dan niet vermeerderd met de arbeidsongeschiktheidsuitkering, 70% of meer bedraagt van het dagloon waarnaar de arbeidsongeschiktheidsuitkering is of zou zijn berekend; e. buiten Nederland woont of verblijf houdt anders dan wegens vakantie; f. niet rechtmatig in Nederland verblijf houdt als bedoeld in artikel 8 van de Vreemdelingenwet 2000; g. rechtens zijn vrijheid is ontnomen; h. zich onttrekt aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel; i. de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt; j. op grond van artikel 64 van de Wet financiering sociale verzekeringen een ontheffing wegens gemoedsbezwaren heeft of wiens werkloosheid binnen 3 maanden na de datum van intrekking van een zodanige ontheffing is aangevangen; k. vakantie geniet buiten de bij ministeriële regeling vast te stellen periode, bedoeld in het negende lid, onderdeel b; l. werkloos is ten gevolge van werkstaking of uitsluiting, tenzij voor de werknemer een ontheffing is verleend op grond van artikel 8, derde lid, van het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945; m. een uitkering ontvangt op grond van de Wet arbeid en zorg; n. een uitreiziger is.","DOC9550,DOC9551",, | |
| 25,Wanneer eindigt het UWV de vrijwillige werkloosheidsverzekering?,"Het UWV beëindigt de vrijwillige werkloosheidsverzekering: a. op verzoek van de vrijwillig verzekerde met ingang van een door hem te bepalen datum; b. met ingang van de dag, waarop de termijn van vijf jaar, bedoeld in artikel 53, eerste lid, onderdeel a, is verstreken; c. met ingang van de dag, waarop de werkzaamheden bedoeld in artikel 53, eerste en tweede lid worden beëindigd; d. met ingang van de dag waarop de vrijwillig verzekerde verplicht verzekerd wordt ingevolge deze wet; e. indien de verschuldigde premie over een periode van twee volle kalendermaanden niet, niet volledig of niet-tijdig is betaald; of f. indien niet langer wordt voldaan aan andere vereisten voor toelating tot de vrijwillige verzekering, bedoeld in artikel 53, eerste lid.",DOC9667,, | |
| 26,Wanneer is een zorgverzekeraar niet verplicht om een zorgverzekering af te sluiten met een verzekeringsplichtige?,"In afwijking van het eerste lid is een zorgverzekeraar niet verplicht een zorgverzekering te sluiten met of ten behoeve van een verzekeringsplichtige: a. die reeds krachtens een zorgverzekering verzekerd is, of b. wiens eerdere zorgverzekering hij of de verzekeringnemer binnen een periode van vijf jaar, gelegen onmiddellijk voorafgaande aan het verzoek tot het sluiten van de verzekering, heeft opgezegd of ontbonden wegens: 1°. opzettelijke misleiding door de verzekeringnemer of de verzekerde, of 2°. het niet betalen van de premie, bedoeld in artikel 17, vijfde lid.","DOC24306,DOC24307",, | |
| 27,Wanneer eindigt een zorgverzekering?,"De zorgverzekering eindigt van rechtswege met ingang van de dag volgende op de dag waarop: a. de verzekeraar ten gevolge van wijziging of intrekking van zijn vergunning tot uitoefening van het schadeverzekeringsbedrijf, geen zorgverzekeringen meer mag aanbieden; b. de verzekerde ten gevolge van wijziging van het werkgebied buiten het werkgebied van de zorgverzekeraar komt te wonen; c. de verzekerde overlijdt; d. de verzekeringsplicht van de verzekerde eindigt.",DOC24315,, | |
| 28,Wanneer eindigt een inschrijving in het persoonsregister kinderopvang?,"Inschrijving in het personenregister kinderopvang eindigt: a. uiterlijk binnen twee weken volgend op de dag waarop de ingeschrevene een verzoek tot beëindiging indient en zonder koppeling als bedoeld in het derde lid staat ingeschreven; b. uiterlijk binnen twee weken volgend op de dag waarop de ingeschrevene een verzoek tot beëindiging indient, zonder koppeling als bedoeld in het derde lid staat ingeschreven en het college het besluit tot verwijdering van alle inschrijvingen van de ingeschrevene, bedoeld in artikel 1.47, heeft genomen; c. uiterlijk binnen twee weken volgend op de dag waarop de ingeschrevene een verzoek tot beëindiging indient, zonder koppeling als bedoeld in het derde lid staat ingeschreven en niet meer op hetzelfde woonadres als een houder van de voorziening voor gastouderopvang – voor zover dit tevens de opvanglocatie is – zijn hoofdverblijf heeft of niet meer zijn hoofdverblijf heeft op het adres waar een kindercentrum is gevestigd; d. uiterlijk vier maanden nadat de ingeschrevene zonder koppeling als bedoeld in het derde lid in het personenregister kinderopvang is opgenomen; e. uiterlijk vier maanden na het verzoek tot het overleggen van een nieuwe verklaring omtrent het gedrag vanwege de ontvangst van een melding van nieuwe gegevens in de justitiële documentatie of vanwege de omstandigheid, bedoeld in artikel 1.50, vijfde tot en met zevende lid, en artikel 1.56b, vierde en vijfde lid en de ingeschrevene geen nieuwe verklaring omtrent het gedrag heeft overgelegd; f. uiterlijk binnen twee weken na kennisgeving van het overlijden van de ingeschrevene.","DOC23980,DOC23981",, | |
| 29,Wanneer kan een vergunning voor het bereiden of invoeren van geneesmiddelen worden ingetrokken?,"Een vergunning kan worden ingetrokken indien: a. de houder van de vergunning een bij of krachtens dit hoofdstuk gestelde verplichting of een aan de vergunning verbonden voorschrift of beperking niet naleeft; b. degene aan wie de vergunning is verleend, naar het oordeel van Onze Minister is opgehouden de werkzaamheden te verrichten waarvoor de vergunning was verleend.",DOC25300,, | |
| 30,Wanneer vervalt een vergunning voor het bereiden of invoeren van geneesmiddelen?,"Een vergunning vervalt indien: a. de rechtspersoon aan wie de vergunning is verleend, wordt ontbonden, fuseert en niet de verkrijgende rechtspersoon is, of wordt gesplitst; b. degene aan wie de vergunning is verleend, Onze Minister schriftelijk heeft bericht dat hij is opgehouden de werkzaamheden te verrichten waarvoor de vergunning is verleend.",DOC25299,, | |
| 31,Wanneer is een aanvrager niet gehouden preklinische en klinische gegevens over te leggen indien de aanvraag betrekking heeft op homeopathische geneesmiddelen?,"De aanvrager is niet gehouden preklinische en klinische gegevens over te leggen indien de aanvraag betrekking heeft op homeopathische geneesmiddelen die voldoen aan de volgende voorwaarden: a. het middel is voor oraal of uitwendig gebruik bestemd, b. noch in of op de verpakking ervan noch in de bijsluiter wordt melding gemaakt van enige therapeutische indicatie, en c. de verdunningsgraad is zodanig dat het middel gegarandeerd onschadelijk is en in elk geval niet meer bevat dan één deel per 10 000 van de oertinctuur dan wel één honderdste van de kleinste in de allopathische geneeskunde gebruikte dosis werkzame stoffen die in een UR-geneesmiddel aanwezig is.","DOC25339,DOC25340",, | |
| 32,"Wanneer wordt een handelsvergunning voor geneesmiddelen geschorst, ingetrokken of gewijzigd door het college?","Het College schorst een handelsvergunning, wijzigt deze of trekt deze in indien: a. het geneesmiddel schadelijk is, b. de therapeutische werking ontbreekt dan wel indien de afweging van voordelen en risico’s niet gunstig is, c. het geneesmiddel niet de opgegeven kwalitatieve en kwantitatieve eigenschappen bezit, d. de krachtens artikel 42 overgelegde gegevens en bescheiden onjuist zijn of niet zijn gewijzigd overeenkomstig artikel 49, e. de in artikel 28, eerste lid, bedoelde controles niet hebben plaatsgevonden, f. de etikettering of de bijsluiter niet voldoet aan de daaromtrent in hoofdstuk 7 gestelde eisen, g. niet aan voorschriften gesteld krachtens artikel 45a of 45b is voldaan, h. de houder van de handelsvergunning de in hoofdstuk 8 neergelegde verplichtingen niet nakomt, i. indien de coördinatiegroep zulks op grond van artikel 107octies van richtlijn 2001/83 heeft besloten, of j. indien de bereiding of kwaliteitscontrole door de fabrikant niet in overeenstemming is met de eisen zoals beschreven in het dossier op grond waarvan de desbetreffende handelsvergunning is verleend.","DOC25366,DOC25367",, | |
| 33,Wanneer is publieksreclame voor geneesmiddelen verboden?,"Publieksreclame is verboden voor geneesmiddelen die: a. uitsluitend op recept ter hand mogen worden gesteld; b. zonder recept ter hand mogen worden gesteld en middelen bevatten als bedoeld in lijst I of II van de Opiumwet. Publieksreclame is verboden indien deze vermeldt dan wel door zijn formuleringen of afbeeldingen de indruk wekt dat: a. het gebruik van het geneesmiddel een geneeskundig onderzoek of een chirurgische ingreep overbodig maakt; b. het geneesmiddel geen bijwerkingen kent of dat de werking beter is dan of gelijk is aan de werking van een ander geneesmiddel dan wel een andere geneeskundige behandeling; c. de normale goede gezondheid van een persoon door het gebruik van het geneesmiddel kan worden verbeterd; d. de normale goede gezondheid van een persoon kan worden aangetast wanneer het geneesmiddel niet wordt gebruikt; e. de veiligheid of de werkzaamheid van het geneesmiddel te danken is aan het feit dat het om een natuurlijke stof gaat. Publieksreclame is voorts verboden indien: a. deze uitsluitend of voornamelijk is gericht op kinderen; b. deze een aanprijzing dan wel een verwijzing naar een aanprijzing bevat van wetenschapsbeoefenaren, beroepsbeoefenaren of bij het publiek bekende personen; c. daarin het geneesmiddel gelijk wordt gesteld met een voedingsmiddel, een cosmetisch product of andere waren; d. deze door de beschrijving of de gedetailleerde uitbeelding van een ziektegeschiedenis tot een verkeerde zelfdiagnose kan leiden; e. daarin op misleidende wijze wordt verwezen naar genezenverklaringen; f. daarin op schrikwekkende of misleidende wijze gebruik wordt gemaakt van uitbeeldingen van veranderingen van het menselijk lichaam ten gevolge van een ziekte of letsel of van de werking van het geneesmiddel in het menselijk lichaam; g. daarin wordt aangegeven dat op verstrekking van het geneesmiddel aanspraak bestaat krachtens de wettelijke sociale ziektekostenverzekeringen.","DOC25423,DOC25426,DOC25427",, | |
| 34,Wanneer mogen er gratis monsters van een geneesmiddel gegeven worden?,"Het is verboden gratis monsters van een geneesmiddel af te leveren, tenzij: a. daartoe een gedateerde en persoonlijk ondertekende aanvraag door een beroepsbeoefenaar die bevoegd is UR-geneesmiddelen voor te schrijven is ingediend bij de betrokken ondernemer, b. het monster niet groter is dan de kleinste verpakking die in de handel is, c. aan een beroepsbeoefenaar als bedoeld onder a niet meer dan 2 monsters van hetzelfde geneesmiddel per kalenderjaar worden verstrekt, d. op het monster is vermeld dat het gratis is en niet verkocht mag worden, e. bij het monster een exemplaar van de samenvatting van de kenmerken van het geneesmiddel is gevoegd, en f. degene die het gratis monster verstrekt, een administratie bijhoudt waarin is vastgelegd aan wie, op welke datum en in welke hoeveelheid het is verstrekt.",DOC25431,, | |
| 35,Wat zijn de vereisten tot het aangaan van een huwelijk?,"Om een huwelijk te mogen aangaan moeten een man een vrouw de leeftijd van achttien jaren hebben bereikt. Een huwelijk mag niet worden aangegaan, wanneer de geestvermogens van een partij zodanig zijn gestoord, dat deze niet in staat is haar wil te bepalen of de betekenis van haar verklaring te begrijpen. Een persoon kan tegelijkertijd slechts met één ander persoon door het huwelijk verbonden zijn. Een huwelijk mag niet worden gesloten tussen hen die elkaar, hetzij van nature hetzij familierechterlijk, bestaan in de opgaande en in de nederdalende lijn of als broeders, zusters of broeder en zuster. Een huwelijk mag niet worden gesloten tussen hen die elkander, hetzij van nature hetzij familierechtelijk, als bloedverwanten bestaan in de derde of vierde graad in de zijlinie, tenzij de aanstaande echtgenoten bij de ambtenaar van de burgerlijke stand ieder een beëdigde verklaring hebben afgelegd, inhoudende dat zij hun vrije toestemming tot het huwelijk geven.","DOC4453,DOC4454,DOC4455,DOC4463,DOC4464",, | |
| 36,Wanneer kan een huwelijk worden gestuit?,"Een huwelijk kan worden gestuit wanneer partijen niet de vereisten in zich verenigen om een huwelijk aan te gaan, of wanneer partijen niet beiden hun vrije toestemming tot het huwelijk zullen geven dan wel wanneer het oogmerk van de aanstaande echtgenoten, of één hunner, niet is gericht op de vervulling van de door de wet aan de huwelijkse staat verbonden plichten, doch op het verkrijgen van toelating tot Nederland.",DOC4478,, | |
| 37,Wanneer kan een partnerregistratie worden gestuit?,"Een partnerschapsregistratie kan worden gestuit, indien partijen niet de vereisten in zich verenigen om de registratie aan te gaan, of wanneer partijen niet beiden hun toestemming tot het geregistreerd partnerschap vrijelijk zullen geven, dan wel wanneer het oogmerk van de aanstaande geregistreerde partners, of één hunner, niet is gericht op de vervulling van de door de wet aan de partnerschapsregistratie verbonden plichten, doch op het verkrijgen van toelating tot Nederland. Op een stuiting zijn de artikelen 51, 52, 53, tweede tot en met vierde lid, en 54 tot en met 56 van overeenkomstige toepassing. Het openbaar ministerie is verplicht een partnerschapsregistratie te stuiten, indien het met een van de in de artikelen 31, 32, 41 en in het eerste en tweede lid van dit artikel omschreven beletselen bekend is. Indien aan de ambtenaar van de burgerlijke stand een van de in de vorige zin genoemde beletselen bekend is, of wanneer partijen niet beiden hun toestemming tot het geregistreerd partnerschap vrijelijk zullen geven, mag hij niet meewerken aan een registratie of daaraan voorafgaande formaliteiten verrichten, ook al zou geen stuiting hebben plaatsgehad.","DOC4512,DOC4513",, | |
| 38,Wanneer eindigt geregistreerd partnerschap?,"Het geregistreerd partnerschap eindigt: a. door de dood; b. indien degene ten aanzien van wie, overeenkomstig de bepalingen van de tweede afdeling van de achttiende titel van dit boek de vermissing is vastgesteld, dan wel overeenkomstig de bepalingen van de derde afdeling van de achttiende titel van dit boek het overlijden is vastgesteld, nog in leven is op de dag waarop de achtergebleven geregistreerde partner een nieuw geregistreerd partnerschap of huwelijk is aangegaan: door de voltrekking van dit geregistreerd partnerschap of huwelijk; c. met wederzijds goedvinden door inschrijving door de ambtenaar van de burgerlijke stand van een door beide partners en een of meer advocaten of notarissen ondertekende en gedateerde verklaring waaruit blijkt dat en op welk tijdstip de partners omtrent de beëindiging van het geregistreerd partnerschap een overeenkomst hebben gesloten. d. door ontbinding op verzoek van de partners of een van hen; e. door omzetting van een geregistreerd partnerschap in een huwelijk.",DOC4515,, | |
| 39,Wanneer wordt de gemeenschap van rechtswege ontbonden?,"De gemeenschap wordt van rechtswege ontbonden: a. in geval van het eindigen van het huwelijk of het geregistreerd partnerschap door overlijden: op het tijdstip van overlijden; b. in geval van beëindiging van het huwelijk door echtscheiding of ontbinding van het geregistreerd partnerschap door de rechter: op het tijdstip van indiening van het verzoek tot echtscheiding onderscheidenlijk indiening van het verzoek tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap; c. in geval van scheiding van tafel en bed: op het tijdstip van indiening van het verzoek tot scheiding van tafel en bed; d. in geval van opheffing van de gemeenschap door een beschikking: op het tijdstip van indiening van het verzoek tot opheffing van de gemeenschap; e. in geval van beëindiging van het geregistreerd partnerschap met wederzijds goedvinden: op het tijdstip waarop de overeenkomst tot beëindiging wordt gesloten; f. in geval van vermissing en een daarop gevolgd huwelijk of geregistreerd partnerschap: op het tijdstip waarop de beschikking, bedoeld in artikel 417, eerste lid, in kracht van gewijsde is gegaan; g. in geval van opheffing bij latere huwelijkse voorwaarden: op het tijdstip, bedoeld in artikel 120, eerste lid.","DOC4559,DOC4560",, | |
| 40,Wat zijn de voorwaarden van adoptie?,"Voorwaarden voor adoptie zijn: a. dat het kind op de dag van het eerste verzoek minderjarig is, en dat het kind, indien het op de dag van het verzoek twaalf jaren of ouder is, ter gelegenheid van zijn verhoor niet van bezwaren tegen toewijzing van het verzoek heeft doen blijken; hetzelfde geldt, indien de rechter is gebleken van bezwaren tegen toewijzing van het verzoek van een minderjarige die op de dag van het verzoek de leeftijd van twaalf jaren nog niet heeft bereikt, maar in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake; b. dat het kind niet is een kleinkind van een adoptant; c. dat de adoptant of ieder der adoptanten ten minste achttien jaren ouder dan het kind is; d. dat geen der ouders het verzoek tegenspreekt; e. dat de minderjarige moeder van het kind op de dag van het verzoek de leeftijd van zestien jaren heeft bereikt; f. dat de adoptant of de adoptanten het kind gedurende ten minste een jaar heeft of hebben verzorgd en opgevoed; indien de echtgenoot, geregistreerde partner of andere levensgezel van de ouder of adoptiefouder het kind adopteert en zij gezamenlijk het kind gedurende ten minste een jaar hebben verzorgd en opgevoed wordt de periode van een jaar voor de echtgenoot, geregistreerde partner of andere levensgezel gerekend vanaf het moment van feitelijk gezamenlijk verzorgen en opvoeden; g. dat de ouder of ouders niet of niet langer het gezag over het kind hebben. Indien evenwel de echtgenoot, geregistreerde partner of andere levensgezel van de ouder het kind adopteert, geldt dat deze ouder alleen of samen met voornoemde echtgenoot, geregistreerde partner of andere levensgezel het gezag heeft.","DOC4717,DOC4718",, | |
| 41,Wanneer kan de rechter na ontbinding van het huwelijk anders dan de dood of na scheiding van tafel en bed op verzoek van de ouders of van één van hen bepalen dat gezag over een kind aan ouder toekomt?,"De rechter kan na ontbinding van het huwelijk anders dan door de dood of na scheiding van tafel en bed op verzoek van de ouders of van één van hen bepalen dat het gezag over een kind aan één ouder toekomt indien: a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of b. wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.",DOC4756,, | |
| 42,Wanneer kan de rechtbank het gezag van een ouder beëindigen?,"De rechtbank kan het gezag van een ouder beëindigen indien: a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 247, tweede lid, in staat is te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of b. de ouder het gezag misbruikt.",DOC4835,, | |
| 43,Wanneer kan de rechtbank een ouder geheel of gedeeltelijk in de uitoefening van het gezag schorsen?,"De rechtbank kan een ouder geheel of gedeeltelijk in de uitoefening van het gezag schorsen indien: a. een ernstig vermoeden bestaat dat de grond, bedoeld in artikel 266, eerste lid, aanhef en onder a of b is vervuld en de maatregel noodzakelijk is om een acute en ernstige bedreiging voor de minderjarige weg te nemen, of b. een medische behandeling van een minderjarige jonger dan twaalf jaar of van de minderjarige van twaalf jaar of ouder die niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen terzake, noodzakelijk is om ernstig gevaar voor diens gezondheid af te wenden en een ouder die het gezag uitoefent toestemming daarvoor weigert.",DOC4839,, | |
| 44,"Wanneer kan de rechtbank een ouder wiens gezag is beëindigd, op zijn verzoek in het gezag herstellen?","De rechtbank kan de ouder wiens gezag is beëindigd, op zijn verzoek in het gezag herstellen indien: a. herstel in het gezag in het belang van de minderjarige is, en b. de ouder duurzaam de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige, bedoeld in artikel 247, tweede lid, in staat is te dragen.",DOC4851,, | |
| 45,"Wat zijn de omstandigheden waarin een verzoek tot wijziging van de geslachtsnaam van een kind wordt afgewezen, rekening houdend met het feit dat de voogdij door de voogd en een andere persoon die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat, gezamenlijk wordt uitgeoefend?","Een verzoek als bedoeld in het eerste lid kan vergezeld gaan van een verzoek tot wijziging van de geslachtsnaam van het kind in de geslachtsnaam van een van de voogden, van beide voogden of van een voogd en de oorspronkelijke geslachtsnaam van het kind, in een vrij te bepalen volgorde. Artikel 5, veertiende lid, is van overeenkomstige toepassing. Een zodanig verzoek wordt afgewezen, indien: a. het kind van twaalf jaar of ouder ter gelegenheid van zijn verhoor niet heeft ingestemd met het verzoek; b. het verzoek tot gezamenlijke voogdij wordt afgewezen; of c. het belang van het kind zich tegen toewijzing verzet.",DOC4858,, | |
| 46,Wanneer kan een voogd zich van zijn bediening doen ontslaan?,"Iedere voogd kan zich van zijn bediening doen ontslaan, indien: a. hij aantoont, dat hij tengevolge van een sedert de aanvang van zijn bediening opgekomen geestelijk of lichamelijk gebrek niet meer in staat is deze waar te nemen; b. hij de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, heeft bereikt; c. een daartoe bevoegd persoon zich schriftelijk heeft bereid verklaard de voogdij over te nemen, en de rechtbank deze overneming in het belang van de minderjarigen acht.",DOC4905,, | |
| 47,Wanneer kan de rechtbank de voogdij van een natuurlijk persoon beëindigen?,"De rechtbank kan de voogdij van een natuurlijk persoon beëindigen indien: a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de voogd niet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 247, tweede lid, in staat is te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of b. de voogd het gezag misbruikt, of c. niet beschikt over de ingevolge artikel 2 van de Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie vereiste beginseltoestemming.",DOC4910,, | |
| 48,Wanneer kan de rechtbank een met de voogdij belaste natuurlijk persoon gedeeltelijk of geheel in de uitoefening van het gezag schorsen?,"De rechtbank kan een met de voogdij belaste natuurlijke persoon geheel of gedeeltelijk in de uitoefening van het gezag schorsen indien: a. een ernstig vermoeden bestaat dat de grond, bedoeld in artikel 266, eerste lid, aanhef en onder a of b is vervuld en de maatregel noodzakelijk is om een acute en ernstige bedreiging voor de minderjarige weg te nemen, of b. een medische behandeling van een minderjarige jonger dan twaalf jaar of van de minderjarige van twaalf jaar of ouder die niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen terzake, noodzakelijk is om ernstig gevaar voor diens gezondheid af te wenden en de voogd toestemming daarvoor weigert.",DOC4914,, | |
| 49,Slechts wanneer kan de rechter het recht op omgang ontzeggen?,"De rechter ontzegt het recht op omgang slechts, indien: a. omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of b. de ouder of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of c. het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder of met degene met wie hij in een nauwe persoonlijke betrekking staat heeft doen blijken, of d. omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.","DOC4971,DOC4972",, | |
| 50,Wanneer eindigt de curatele?,"De curatele eindigt: a. door het verstrijken van de tijdsduur waarvoor zij is ingesteld, b. door de dood van de betrokken persoon, of c. indien ten behoeve van hem bij in kracht van gewijsde gegane rechterlijke uitspraak ter vervanging van curatele een bewind als bedoeld in titel 19 dan wel een mentorschap als bedoeld in titel 20 is ingesteld.",DOC5005,, | |
| 51,Wanneer eindigt het bewind?,Het bewind eindigt: a. door een gezamenlijk besluit van de rechthebbende en de bewindvoerder; b. door opzegging door de rechthebbende aan de bewindvoerder met inachtneming van een termijn van een maand; c. wanneer de dood van de rechthebbende komt vast te staan.,DOC5043,, | |
| 52,Wanneer kan de rechtbank verklaren dat een vermist persoon is overleden?,"Indien het lichaam van een vermist persoon niet is kunnen worden teruggevonden doch, alle omstandigheden in aanmerking genomen, zijn overlijden als zeker kan worden beschouwd, kan op verzoek van het openbaar ministerie of van iedere belanghebbende de rechtbank verklaren dat de vermiste is overleden: A. indien de vermissing heeft plaatsgevonden in Nederland; B. indien de vermissing heeft plaatsgevonden tijdens een reis met een in Nederland thuisbehorend schip of luchtvaartuig; C. indien de vermiste Nederlander was; D. indien de vermiste zijn woon- of verblijfplaats had in Nederland.",DOC5063,, | |
| 53,Wanneer eindigt de taak van de bewindvoerder?,"De taak van de bewindvoerder eindigt: a. bij het einde van het bewind; b. door tijdsverloop, indien hij voor een bepaalde tijd was benoemd; c. door zijn dood, het ten aanzien van hem van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen, zijn faillietverklaring of zijn ondercuratelestelling; d. door de instelling van een bewind als bedoeld in deze titel over één of meer van zijn goederen; e. door ontslag dat hem door de kantonrechter met ingang van een door deze bepaalde dag wordt verleend.",DOC5101,, | |
| 54,Wanneer eindigt de taak van de mentor?,"De taak van de mentor eindigt: a. bij het einde van het mentorschap; b. door tijdsverloop, indien hij voor een bepaalde tijd was benoemd; c. door zijn dood; d. door zijn ondercuratelestelling of door instelling van een mentorschap te zijnen behoeve; e. door ontslag dat hem door de kantonrechter met ingang van een door deze bepaalde dag wordt verleend.",DOC5127,, | |
| 55,Wanneer wordt een leerling toegelaten tot een speciale school voor basisonderwijs?,"Een leerling wordt slechts toegelaten tot een speciale school voor basisonderwijs nadat de leerling toelaatbaar is verklaard tot het onderwijs aan een speciale school voor basisonderwijs. De beslissing over de toelaatbaarheid is geen besluit als bedoeld in artikel 8:4, derde lid, onderdeel b, van de Algemene wet bestuursrecht. Deze beslissing wordt genomen: a. indien de leerling onmiddellijk voorafgaand aan de toelating was ingeschreven op een basisschool: door het samenwerkingsverband waartoe die school behoort; b. indien de leerling onmiddellijk voorafgaand aan de toelating niet was ingeschreven op een basisschool: 1°. door het samenwerkingsverband in het gebied waar de leerling woont; 2°. door het samenwerkingsverband waartoe de speciale school voor basisonderwijs, waarvoor toelating wordt verzocht behoort, indien de leerling buiten Nederland woont; c. indien de leerling onmiddellijk voorafgaand aan de toelating niet was ingeschreven op een basisschool en de leerling was aangemeld bij een speciale school voor basisonderwijs, die behoort tot een landelijk samenwerkingsverband, bedoeld in artikel 18a, vijftiende lid: door het landelijk samenwerkingsverband waartoe de speciale school voor basisonderwijs, waar de leerling was aangemeld, behoort.","DOC7897,DOC7898",, | |
| 56,"Wanneer kan bevoegd gezag, mede op basis van de gegevens van de toetsen, bepalen dat door een leerling geen doorstroom toets wordt afgelegd?","Het bevoegd gezag kan, mede op basis van de gegevens van de toetsen, bedoeld in artikel 45b, eerste lid, bepalen dat door een leerling geen doorstroomtoets wordt afgelegd, indien de leerling: a. Zeer moeilijk lerend is; b. Meervoudig gehandicapt is en voor wie het zeer moeilijk lerend zijn een van de handicaps is; of c. Vier jaar of korter in Nederland is en om die reden de Nederlandse taal onvoldoende beheerst.",DOC7923,, | |
| 57,Wanneer neemt de bekostiging van een nevenvestiging van een school aanvang met ingang van 1 augustus?,"De bekostiging van een nevenvestiging van een school neemt een aanvang met ingang van 1 augustus indien: a. 1°. de nevenvestiging, onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van ingang van de bekostiging als nevenvestiging, bekostigd werd als een zelfstandige school, of 2°. de nevenvestiging voor bekostiging in aanmerking kwam als nevenvestiging van de voormalige school bedoeld onder 1°, b. ingeval het betreft een nevenvestiging van een openbare school die in stand wordt gehouden door een andere rechtspersoon dan de gemeente op wier grondgebied de nevenvestiging is gelegen, die gemeente bij notariële akte de instandhouding van de school die nevenvestiging is geworden, heeft overgedragen aan die andere rechtspersoon, en c. van de omvorming tot nevenvestiging voor 1 februari voorafgaand aan de datum, bedoeld in de aanhef, mededeling is gedaan aan Onze Minister, en indien het betreft een situatie als bedoeld onder b, onder overlegging van de gegevens waaruit blijkt dat aan het vereiste onder b is voldaan.",DOC8027,, | |
| 58,Wanneer wordt de bekostiging van een bijzondere nevenvestiging beëindigd of een openbare nevenvestiging opgeheven?,"De bekostiging van een bijzondere nevenvestiging wordt beëindigd of een openbare nevenvestiging wordt opgeheven indien de nevenvestiging gedurende 3 achtereenvolgende schooljaren op de teldatum 1 oktober niet heeft voldaan of geacht wordt niet te hebben voldaan aan een van de volgende voorwaarden: a. het aantal leerlingen van de nevenvestiging bedraagt ten minste 23 en binnen een straal van 2 km bevindt zich geen school, b. het aantal leerlingen van de nevenvestiging bedraagt ten minste 50 en binnen een straal van 3 km bevindt zich geen school waar onderwijs wordt gegeven van dezelfde richting onderscheidenlijk waar openbaar onderwijs wordt gegeven, c. het aantal leerlingen van de nevenvestiging bedraagt ten minste 23 en binnen een straal van 5 km bevindt zich geen school waar onderwijs wordt gegeven van dezelfde richting onderscheidenlijk waar openbaar onderwijs wordt gegeven, d. binnen 10 km van de openbare nevenvestiging over de weg gemeten, is geen andere school aanwezig waarbinnen openbaar onderwijs wordt gegeven, of e. bij het gelijkstellen van de nevenvestiging met een zelfstandige school zou deze met toepassing van artikel 143 en onder vervanging van het getal 290 in dat artikel door 260, voor bekostiging in aanmerking komen.","DOC8187,DOC8188",, | |
| 59,Wanneer plaatst het bevoegd gezag een leerling in een tijdelijke nieuwkomersvoorziening?,"Het bevoegd gezag plaatst een leerling alleen in een tijdelijke nieuwkomersvoorziening als: a. de leerling een nieuwkomer is; en b. de leerling niet eerder was ingeschreven op een school voor basisonderwijs, speciale school voor basisonderwijs, school voor speciaal onderwijs, school voor voortgezet speciaal onderwijs, school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs of een school voor voortgezet onderwijs.",DOC8294,, | |
| 60,Wanneer kan een machtiging voor een jeugdige die de leeftijd van achttien jaar nog niet bereikt heeft worden verleend?,"Een machtiging kan slechts worden verleend indien naar het oordeel van de kinderrechter: a. jeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van de jeugdige naar volwassenheid ernstig belemmeren; b. de opneming en het verblijf noodzakelijk en geschikt zijn om te voorkomen dat de jeugdige zich aan deze jeugdhulp onttrekt of daaraan door anderen wordt onttrokken; en c. er geen minder ingrijpende mogelijkheden zijn om de opgroei- en opvoedingsproblemen te behandelen. Een machtiging voor een jeugdige die de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, kan bovendien slechts worden verleend indien: a. de jeugdige onder toezicht is gesteld; b. de voogdij over de jeugdige berust bij een gecertificeerde instelling; of c. degene die, anders dan bedoeld onder b, de wettelijke vertegenwoordiger is, met de opneming en het verblijf instemt.",DOC28478,, | |
| 61,Wanneer kan een machtiging voor een jeugdige die de leeftijd van achttien jaar al bereikt heeft worden verleend?,"Een machtiging kan slechts worden verleend indien naar het oordeel van de kinderrechter: a. jeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van de jeugdige naar volwassenheid ernstig belemmeren; b. de opneming en het verblijf noodzakelijk en geschikt zijn om te voorkomen dat de jeugdige zich aan deze jeugdhulp onttrekt of daaraan door anderen wordt onttrokken; en c. er geen minder ingrijpende mogelijkheden zijn om de opgroei- en opvoedingsproblemen te behandelen. Een machtiging voor een jeugdige die achttien jaar is, kan bovendien slechts worden verleend indien: a. sprake is van een behandeling die reeds aangevangen is voordat de leeftijd van achttien jaar is bereikt; b. voor het bereiken van de leeftijd van achttien jaar een hulpverleningsplan is vastgesteld; c. toegewerkt wordt naar een andere vorm van jeugdhulp dan gesloten jeugdhulp en dit ook blijkt uit het hulpverleningsplan; en d. de gesloten jeugdhulp niet langer duurt dan zes maanden na het bereiken van de leeftijd van achttien jaar.","DOC28478,DOC28479",, | |
| 62,Wanneer kan er een spoedmachtiging verleend worden door de kinderrechter om een jeugdige om de jeugdige in kwestie in een gesloten accommodatie te doen opnemen en te doen verblijven?,"Een spoedmachtiging kan slechts worden verleend indien naar het oordeel van de kinderrechter: a. onmiddellijke verlening van jeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen van de jeugdige die zijn ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren, of een ernstig vermoeden daarvan; b. de opneming en het verblijf noodzakelijk en geschikt zijn om te voorkomen dat de jeugdige zich aan deze jeugdhulp onttrekt of daaraan door anderen wordt onttrokken; en c. er geen minder ingrijpende mogelijkheden zijn om de opgroei- en opvoedingsproblemen te behandelen.",DOC28481,, | |
| 63,Wanneer kan er een voorwaardelijk spoedmachtiging verleend worden door de kinderrechter voor een jeugdige om de jeugdige in kwestie in een gesloten accommodatie te doen opnemen en te doen verblijven?,"Een voorwaardelijke machtiging kan slechts worden verleend, indien naar het oordeel van de kinderrechter: a. De verlening van jeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren; b. De opneming en het verblijf noodzakelijk en geschikt zijn om te voorkomen dat de jeugdige zich aan deze jeugdhulp onttrekt of daaraan door anderen wordt onttrokken en de ernstige belemmering in de ontwikkeling naar volwassenheid alleen buiten de accommodatie kan worden afgewend door het stellen en naleven van voorwaarden; en c. Er geen minder ingrijpende mogelijkheden zijn om de opgroei- en opvoedingsproblemen te behandelen.",DOC28483,, | |
| 64,"Wanneer kan een meldingsbevoegde zonder toestemming van de jeugdige of zijn wettelijk vertegenwoordiger en zo nodig met doorbreken van de op grond van zijn ambt of beroep geldende plicht tot geheimhouding, de jeugdige melden aan de verwijsindex?","Een meldingsbevoegde kan zonder toestemming van de jeugdige of zijn wettelijk vertegenwoordiger en zo nodig met doorbreking van de op grond van zijn ambt of beroep geldende plicht tot geheimhouding, een jeugdige melden aan de verwijsindex indien hij een redelijk vermoeden heeft dat de jeugdige door een of meer van de hierna genoemde risico’s in de noodzakelijke condities voor een gezonde en veilige ontwikkeling naar volwassenheid daadwerkelijk wordt bedreigd: a. de jeugdige staat bloot aan geestelijk, lichamelijk of seksueel geweld, enige andere vernederende behandeling, of verwaarlozing; b. de jeugdige heeft meer of andere dan bij zijn leeftijd normaliter voorkomende psychische problemen, waaronder verslaving aan alcohol, drugs of kansspelen; c. de jeugdige heeft meer dan bij zijn leeftijd normaliter voorkomende ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen; d. de jeugdige is minderjarig en moeder of zwanger; e. de jeugdige verzuimt veelvuldig van school of andere onderwijsinstelling, dan wel verlaat die voortijdig of dreigt die voortijdig te verlaten; f. de jeugdige is niet gemotiveerd om door legale arbeid in zijn levensonderhoud te voorzien; g. de jeugdige heeft meer of andere dan bij zijn leeftijd normaliter voorkomende financiële problemen; h. de jeugdige heeft geen vaste woon- of verblijfplaats; i. de jeugdige is een gevaar voor anderen door lichamelijk of geestelijk geweld of ander intimiderend gedrag; j. de jeugdige laat zich in met activiteiten die strafbaar zijn gesteld; k. de ouders of andere verzorgers van de jeugdige schieten ernstig tekort in de verzorging of opvoeding van de jeugdige, of l. de jeugdige staat bloot aan risico’s die in bepaalde etnische groepen onevenredig vaak voorkomen.","DOC28568,DOC28569",, | |
| 65,"Wanneer kan er zonder toestemming van de betrokkene ten behoeve van statistiek of wetenschappelijk onderzoek op het gebied van volksgezondheid, opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen, kinderbescherming of jeugdreclassering aan een ander desgevraagd inlichtingen over de betrokkene of inzage in de gegevens uit het dossier worden verstrekt?","In afwijking van artikel 7.3.11, eerste lid, kunnen zonder toestemming van de betrokkene ten behoeve van statistiek of wetenschappelijk onderzoek op het gebied van de volksgezondheid, opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen, kinderbescherming of jeugdreclassering aan een ander desgevraagd inlichtingen over de betrokkene of inzage in de gegevens uit het dossier worden verstrekt indien: a. het vragen van toestemming in redelijkheid niet mogelijk is en met betrekking tot de uitvoering van het onderzoek is voorzien in zodanige waarborgen, dat de persoonlijke levenssfeer van de betrokkene niet onevenredig wordt geschaad, of b. het vragen van toestemming, gelet op de aard en het doel van het onderzoek, in redelijkheid niet kan worden verlangd en de gegevens in zodanige vorm worden verstrekt dat herleiding tot individuele natuurlijke personen redelijkerwijs wordt voorkomen. Verstrekking overeenkomstig het eerste lid is slechts mogelijk indien: a. Het onderzoek een algemeen belang dient, b. Het onderzoek niet zonder de desbetreffende gegevens kan worden uitgevoerd, en c. Voor zover de betrokkene tegen een verstrekking niet uitdrukkelijk bezwaar heeft gemaakt.","DOC28604,DOC28605",, | |
| 66,Wanneer wordt een persoonsgebonden budget verstrekt voor een jeugdige of zijn ouders dat hen in staat stelt de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort van derden te verstrekken?,"Een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, indien: a. de jeugdige of zijn ouders naar het oordeel van het college op eigen kracht voldoende in staat zijn tot een redelijke waardering van de belangen ter zake dan wel met hulp uit hun sociale netwerk dan wel van een curator, bewindvoerder, mentor, gemachtigde, gecertificeerde instelling of aanbieder van gesloten jeugdhulp, in staat zijn de aan een persoonsgebonden budget verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren; b. de jeugdige of zijn ouders zich gemotiveerd op het standpunt stellen dat zij de individuele voorziening die wordt geleverd door een aanbieder, niet passend achten; en c. naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort en die de jeugdige of zijn ouders van het budget willen betrekken, van goede kwaliteit is.","DOC28626,DOC28627",, | |
| 67,Wanneer kan een het college een persoonsgebonden budget voor een jeugdige weigeren?,"Het college kan een persoonsgebonden budget weigeren: a. voor zover de kosten van het betrekken van de jeugdhulp van derden hoger zijn dan de kosten van de individuele voorziening, of b. indien het college eerder toepassing heeft gegeven aan artikel 8.1.4, eerste lid, onderdeel a, d of e.",DOC28627,, | |
| 68,Wanneer kan een ontheffing voor opium worden verleend of verlengd?,"Een ontheffing kan slechts worden verleend of verlengd indien de aanvrager ten genoegen van Onze Minister heeft aangetoond: a. Dat daarmee het belang van de volksgezondheid of dat van de gezondheid van dieren wordt gediend; b. Deze nodig te hebben voor het verrichten van wetenschappelijk of analytisch-chemisch onderzoek dan wel voor instructieve doeleinden, voor zover het belang van de volksgezondheid zich hier niet tegen verzet, of c. Deze nodig te hebben voor het verrichten van een handeling als bedoeld in artikel 2 of 3 krachtens een overeenkomst met: 1. Een ander aan wie krachtens artikel 6, eerste lid, een ontheffing is verleend; 2. Een apotheker of apotheekhoudende arts; 3. Een dierenarts; 4. Een instelling of persoon, aangewezen krachtens artikel 5, tweede of derde lid; 5. Een houder van een in een ander land verleende vergunning of ontheffing om de desbetreffende middelen in dat land in te voeren, voor zover het belang van de volksgezondheid zich hier niet tegen verzet.",DOC1248,, | |
| 69,Wanneer wordt een ontheffing voor opium ingetrokken?,"Een ontheffing wordt ingetrokken: a. op aanvraag van de houder van de ontheffing; b. indien het belang van de volksgezondheid dit vordert; c. indien naar het oordeel van Onze Minister de doeleinden waarvoor de ontheffing is verleend niet meer gerealiseerd kunnen worden; d. indien een krachtens artikel 7, tweede lid, verschuldigde vergoeding niet binnen 30 dagen na heffing is voldaan en evenmin gevolg is gegeven aan de aanmaning van Onze Minister, gedaan na afloop van die termijn, om alsnog binnen acht dagen te betalen.","DOC1253,DOC1254",, | |
| 70,Wanneer vervalt een ontheffing voor opium?,"Een ontheffing vervalt: a. door het overlijden van de houder; b. indien ingevolge een onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak de houder van de ontheffing onder curatele is gesteld dan wel zijn goederen onder bewind zijn gesteld; c. indien de rechtspersoon aan wie de ontheffing is verleend, wordt ontbonden, fuseert en niet de verkrijgende rechtspersoon is, of wordt gesplitst.",DOC1256,, | |
| 71,Wanneer kan de Autoriteit Consument en Markt op diens aanvraag ontheffing verlenen aan een eigenaar van een net?,"De Autoriteit Consument en Markt kan op diens aanvraag ontheffing verlenen aan een eigenaar van een net , niet zijnde het landelijk hoogspanningsnet, van het gebod van artikel 10, negende lid, indien: a. het bedrijfs- of productieproces van de gebruikers van het net om specifieke technische of veiligheidsredenen geïntegreerd is of het net primair elektriciteit distribueert voor de eigenaar van dat net of de daarmee verwante ondernemingen; b. de aanvrager geen netbeheerder is en niet in een groepsmaatschappij als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek met een netbeheerder verbonden is, c. het net binnen een geografisch afgebakende industriële locatie, commerciële locatie of locatie met gedeelde diensten ligt en dat net technisch, organisatorisch of functioneel verbonden is, d. op het net minder dan 500 afnemers zijn aangesloten, e. het net geen huishoudelijke eindafnemers van elektriciteit voorziet, tenzij er sprake is van incidenteel gebruik door een klein aantal huishoudelijke eindafnemers dat werkzaam is bij of vergelijkbare betrekkingen heeft met de eigenaar van het net en f. de veiligheid en betrouwbaarheid van het net voldoende is gewaarborgd.","DOC20614,DOC20615",, | |
| 72,Wanneer heeft een producent recht op vergoeding van schade door de netbeheerder van het net op zee?,"Een producent heeft recht op vergoeding van schade door de netbeheerder van het net op zee, indien: a. deze netbeheerder het voor de ontsluiting van het windpark noodzakelijk deel van het net op zee geheel of gedeeltelijk later oplevert dan in het ontwikkelkader, bedoeld in artikel 16e, eerste lid, is opgenomen en de producent hierdoor geheel of gedeeltelijk geen elektriciteit kan laten transporteren, of b. de hoeveelheid elektriciteit die in een kalenderjaar niet kan worden getransporteerd over het net op zee groter is dan de hoeveelheid elektriciteit die niet kan worden getransporteerd wegens gemiddeld voor het net op zee redelijkerwijs noodzakelijk onderhoud en de producent hierdoor geheel of gedeeltelijk geen elektriciteit kan laten transporteren.",DOC20640,, | |
| 73,Wanneer kan de Autoriteit Consument en Markt een ontheffing intrekken?,"De Autoriteit Consument en Markt kan een ontheffing intrekken, indien: a. de houder van de ontheffing de aan de ontheffing verbonden voorschriften of opgelegde beperkingen niet nakomt; b. de houder van de ontheffing bij de aanvraag onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste en volledige gegevens tot een andere beschikking op de aanvraag zou hebben geleid; c. de Autoriteit Consument en Markt, gelet op de belangen bedoeld in artikel 36, eerste lid, onderdelen b tot en met f en de regels, bedoeld in artikel 36, eerste lid, onderdelen g en h, van oordeel is dat intrekking van de ontheffing noodzakelijk is.","DOC20737,DOC20738",, | |
| 74,Wanneer kan onze minister een vergunning voor de levering van elektriciteit intrekken?,"Onze Minister kan een vergunning intrekken, indien: a. de houder van de vergunning dit verzoekt; b. de houder van de vergunning in onvoldoende mate voldoet aan de verplichting, bedoeld in artikel 95b; c. de houder van de vergunning de in de vergunning opgenomen voorschriften of opgelegde beperkingen niet nakomt; d. de houder van de vergunning bij de aanvraag onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste en volledige gegevens tot een andere beschikking op de aanvraag zou hebben geleid; e. de houder van de vergunning naar het oordeel van Onze Minister om andere redenen niet langer in staat moet worden geacht de vergunde activiteit of in de vergunning opgenomen voorschriften na te komen; f. de houder van de vergunning de voorschriften bij of krachtens de artikelen 95k en 95l niet nakomt.",DOC20907,, | |
| 75,Slechts wanneer geeft de centrale commissie een positief oordeel over een onderzoeksprotocol betreffende wetenschappelijk onderzoek met embryo's waarmee geen zwangerschap tot stand wordt gebracht?,"De centrale commissie geeft slechts een positief oordeel over een onderzoeksprotocol betreffende wetenschappelijk onderzoek met embryo's waarmee geen zwangerschap tot stand wordt gebracht, indien: a. redelijkerwijs aannemelijk is dat het onderzoek zal leiden tot de vaststelling van nieuwe inzichten op het terrein van de medische wetenschap; b. redelijkerwijs aannemelijk is dat de vaststelling, bedoeld onder a, niet door andere vormen of methoden van wetenschappelijk onderzoek kan plaatsvinden dan onderzoek met de desbetreffende embryo's of door onderzoek van minder ingrijpende aard; c. het onderzoek voldoet aan de eisen van een juiste methodologie van wetenschappelijk onderzoek; d. het onderzoek wordt uitgevoerd door of onder leiding van personen die deskundig zijn op het desbetreffende gebied van wetenschappelijk onderzoek; e. het onderzoek ook overigens voldoet aan redelijkerwijs daaraan te stellen eisen.",DOC22733,, | |
| 76,Slechts wanneer geeft de centrale commissie een positief oordeel over een onderzoeksprotocol betreffende wetenschappelijk onderzoek met embryo's buiten het menselijk lichaam waarmee wordt beoogd een zwangerschap tot stand te brengen?,"De centrale commissie geeft slechts een positief oordeel over een onderzoeksprotocol betreffende wetenschappelijk onderzoek met embryo's buiten het menselijk lichaam waarmee wordt beoogd een zwangerschap tot stand te brengen, indien: a. redelijkerwijs aannemelijk is dat het onderzoek zal leiden tot de vaststelling van nieuwe inzichten inzake onderzoeks- of behandelingsmethoden, gericht op het tot stand brengen van zwangerschap en de geboorte van een gezond kind; b. redelijkerwijs aannemelijk is dat de vaststelling, bedoeld onder a, niet door andere vormen of methoden van wetenschappelijk onderzoek kan plaatsvinden dan onderzoek met embryo's waarmee wordt beoogd een zwangerschap tot stand te brengen, of door onderzoek van minder ingrijpende aard; c. redelijkerwijs aannemelijk is dat het met het onderzoek te dienen belang in evenredige verhouding staat tot de bezwaren en risico's voor het toekomstige kind en de vrouw en d. is voldaan aan de eisen, bedoeld in de onderdelen c, d en e van artikel 10.",DOC22739,, | |
| 77,"Slechts wanneer geeft de centrale commissie een positief oordeel over een onderzoeksprotocol betreffende wetenschappelijk onderzoek met foetussen, daaronder begrepen wetenschappelijk onderzoek met zwangerschapsondersteunende weefsels?","De centrale commissie of de commissie, bedoeld in artikel 16 van de Wet medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen, geeft slechts een positief oordeel over een onderzoeksprotocol betreffende wetenschappelijk onderzoek met foetussen, daaronder begrepen wetenschappelijk onderzoek met zwangerschapsondersteunende weefsels, indien: a. redelijkerwijs aannemelijk is dat het onderzoek zal leiden tot de vaststelling van nieuwe inzichten op het gebied van de geneeskunst betreffende ongeboren en pasgeboren kinderen of omtrent de voltooiing van zwangerschappen; b. redelijkerwijs aannemelijk is dat de doelstelling, bedoeld onder a, niet door andere vormen of methoden van wetenschappelijk onderzoek kan worden bereikt dan onderzoek met foetussen, daaronder begrepen onderzoek met zwangerschapsondersteunende weefsels of door onderzoek van minder ingrijpende aard; c. redelijkerwijs aannemelijk is dat het met het onderzoek te dienen belang in evenredige verhouding staat tot de bezwaren en risico's voor de desbetreffende foetus en de zwangere vrouw en d. is voldaan aan de eisen, bedoeld in de onderdelen c, d en e van artikel 10.","DOC22743,DOC22744",, | |
| 78,Wanneer is wetenschappelijk onderzoek met een foetus daaronder begrepen wetenschappelijk onderzoek met zwangerschapsondersteunende weefsels toegestaan?,"Wetenschappelijk onderzoek met een foetus daaronder begrepen wetenschappelijk onderzoek met zwangerschapsondersteunende weefsels is toegestaan indien het kan bijdragen aan de diagnostiek, de voorkoming of de behandeling van ernstige aandoeningen bij de desbetreffende foetus daaronder begrepen wetenschappelijk onderzoek met zwangerschapsondersteunende weefsels en dat niet kan worden uitgesteld tot na de geboorte.",DOC22745,, | |
| 79,"Wanneer is wetenschappelijk onderzoek dat niet kan bijdragen aan de diagnostiek, de voorkoming of behandeling van ernstige aandoeningen bij de desbetreffende foetus toegestaan?","Wetenschappelijk onderzoek dat niet kan bijdragen aan de diagnostiek, de voorkoming of behandeling van ernstige aandoeningen bij de desbetreffende foetus is slechts toegestaan, indien: a. het kan bijdragen aan de diagnostiek, de voorkoming of behandeling van ernstige aandoeningen bij andere foetussen; b. de bezwaren en risico’s voor de desbetreffende foetus en de zwangere vrouw minimaal zijn, en c. het niet kan worden uitgesteld tot na de geboorte.",DOC22745,, | |
| 80,Wanneer wordt een vergunning voor ruimtevaartactiviteiten geweigerd?,"Een vergunning wordt geweigerd indien: a. de naleving van een verdrag of een bindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie dit vordert; b. feiten of omstandigheden er naar het oordeel van Onze Minister op duiden dat de veiligheid van personen en goederen, de bescherming van het milieu in de ruimte, de bescherming van de openbare orde of de veiligheid van de staat door het verlenen van de vergunning in gevaar kunnen worden gebracht; c. verlening daarvan in strijd zou zijn met bij of krachtens deze wet gestelde regels.","DOC25229,DOC25230",, | |
| 81,Wanneer wordt een vergunning voor ruimtevaartactiviteiten ingetrokken?,"De vergunning wordt ingetrokken indien: a. de vergunninghouder hierom verzoekt; b. de naleving van een verdrag of een bindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie dit vordert; c. de vrees gewettigd is dat het van kracht blijven van de vergunning gevaar zal opleveren voor de veiligheid van personen en goederen, de bescherming van het milieu in de ruimte, de bescherming van de openbare orde of de veiligheid van de staat.","DOC25231,DOC25232",, | |
| 82,Wanneer wordt de toegekende prestatiebeurs hoger onderwijs voor de duur van de desbetreffende opleiding omgezet in een gift?,"Indien een ho-student binnen de diplomatermijn hoger onderwijs met goed gevolg een associate degree-opleiding afrondt, wordt de toegekende prestatiebeurs hoger onderwijs voor de duur van de desbetreffende opleiding omgezet in een gift.",DOC21281,, | |
| 83,Wanneer komt een uitwonende student in aanmerking voor het ontvangen van het normbedrag?,"Voor het normbedrag voor een uitwonende student komt in aanmerking de student die voldoet aan de volgende verplichtingen: a. de student woont op het adres waaronder hij in de basisregistratie personen staat ingeschreven, en b. het woonadres van de student is niet het adres waaronder zijn ouders of een van hen in de basisregistratie personen staat of staan ingeschreven.",DOC21151,, | |
| 84,Wanneer kan een student in aanmerking komen voor studiefinanciering?,"Voor studiefinanciering kan een student in aanmerking komen die: a. de Nederlandse nationaliteit bezit, b. niet de Nederlandse nationaliteit bezit maar wel ingevolge een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie op het terrein van de studiefinanciering met een Nederlander wordt gelijkgesteld, of c. niet de Nederlandse nationaliteit bezit maar wel in Nederland woont en behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen groep van personen die voor het terrein van de studiefinanciering met Nederlanders worden gelijkgesteld.",DOC21157,, | |
| 85,Wanneer heeft een mbo-student aan een opleiding niveau 3 of 4 geen aanspraak op studiefinanciering voor beroepsonderwijs?,"Een mbo-student aan een opleiding niveau 3 of 4 heeft geen aanspraak op studiefinanciering voor beroepsonderwijs: a. indien hij na het verstrijken van zijn aanspraak op prestatiebeurs beroepsonderwijs gedurende 36 maanden een lening heeft genoten, of b. indien er 10 jaren verstreken zijn met ingang van de maand waarover voor het eerst studiefinanciering in de zin van de paragrafen 4.1.2 of 4.2.3 is toegekend voor het volgen van beroepsonderwijs of op grond van de Wet studiefinanciering BES is toegekend voor het volgen van beroepsonderwijs aan een opleiding niveau 3 of 4.","DOC21166,DOC21167",, | |
| 86,Wanneer kan een ho-student in aanmerking komen voor levenlanglerenkrediet?,"Een ho-student kan in aanmerking komen voor levenlanglerenkrediet, indien hij is ingeschreven voor het volgen van: a. een opleiding als bedoeld in de artikelen 2.8 tot en met 2.11; b. een postinitiële masteropleiding als bedoeld in artikel 7.3b WHW; c. een deeltijdse opleiding in het hoger onderwijs, bedoeld in artikel 7.7, eerste lid, WHW, waaraan accreditatie als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel q, WHW is verleend; of d. een of meer onderwijseenheden als bedoeld in artikel 7.3, tweede lid, WHW, van een opleiding waaraan accreditatie als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel q, WHW is verleend, aan: 1°. de Open Universiteit; 2°. een rechtspersoon voor hoger onderwijs als bedoeld in artikel 1.1 WHW; of 3°. een bekostigde instelling voor hoger onderwijs als bedoeld in artikel 1.8, eerste lid, WHW, met uitzondering van de Open Universiteit, in bij ministeriële regeling te bepalen gevallen, waarin bij wijze van experiment op grond van artikel 1.7a WHW, in afwijking van artikel 7.32, derde lid, WHW, inschrijving voor een onderwijseenheid is toegestaan.","DOC21173,DOC21174",, | |
| 87,Wanneer heeft een ho-student geen aanspraak op studiefinanciering?,"Een ho-student heeft geen aanspraak op studiefinanciering: a. indien hij na het verstrijken van zijn aanspraak op prestatiebeurs hoger onderwijs gedurende 36 maanden een lening heeft genoten, b. indien er 10 jaren verstreken zijn met ingang van de maand waarover voor het eerst studiefinanciering is toegekend voor het volgen van hoger onderwijs, op grond van deze wet of op grond van de Wet studiefinanciering BES, c. indien hij is ingeschreven aan een opleiding waarvan de duur, daaronder begrepen ten hoogste 12 vakantieweken, korter is dan 1 jaar, of d. indien hij in het betreffende studiefinancieringstijdvak aanspraak maakt op een tegemoetkoming in de kosten voor de toegang tot het onderwijs of voor levensonderhoud, die door de voor de verstrekking van deze tegemoetkomingen verantwoordelijke autoriteit van een ander land wordt verstrekt.",DOC21175,, | |
| 88,"Wanneer verleent het college op aanvraag van de werkgever of werknemer, gedaan binnen zes maanden na het begin van de dienstbetrekking, loonkostensubsidie?","Het college verleent op aanvraag van de werkgever of werknemer, gedaan binnen zes maanden na het begin van de dienstbetrekking, in aanvulling op artikel 7, loonkostensubsidie als na vaststelling door het college blijkt dat de persoon met voltijdse arbeid niet in staat is tot het verdienen van het wettelijk minimumloon en die persoon in de periode van zes maanden voorafgaand aan de dienstbetrekking: a. deelnam aan: 1°. het praktijkonderwijs, bedoeld in artikel 2.8 van de Wet voortgezet onderwijs 2020; 2°. het voortgezet speciaal onderwijs, bedoeld in artikel 2 van de Wet op de expertisecentra; of 3°. de entreeopleiding, bedoeld in artikel 7.2.2., eerste lid, onderdeel a, van de Wet educatie en beroepsonderwijs; dan wel b. een persoon was als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a.","DOC23599,DOC23600",, | |
| 89,Wanneer kan het uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de toekenning van een tolkvoorziening weigeren?,"Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan de toekenning, bedoeld in het tweede lid weigeren, indien de volgende condities gelden: 1. Het na een eerdere herziening, intrekking of weigering van een toekenning op grond van het vierde lid heeft vastgesteld dat: a. De persoon, bedoeld in het tweede lid, onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid, b. De persoon niet voldoet aan de aan de tolkvoorziening verbonden voorwaarden, of c. De persoon de tolkvoorzieningen niet of voor een ander doel gebruikt; Daarnaast 2. De persoon, bedoeld in het tweede lid, aanspraak kan maken op tolkvoorzieningen die zijn getroffen op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen of de Wet overige OCW-subsidies, of in verband met werkzaamheden als werknemer in de zin van de Wet sociale werkvoorziening en de aanvraag ondersteuning op grond van die wetten betreft.",DOC23610,, | |
| 90,Wat zijn de voorwaarden om recht op bijstand van overheidswege te hebben?,"Iedere in Nederland woonachtige Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien, heeft recht op bijstand van overheidswege. Met de Nederlander, bedoeld in het eerste lid, wordt gelijkgesteld de hier te lande woonachtige vreemdeling die rechtmatig in Nederland verblijf houdt in de zin van artikel 8, onderdelen a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000, met uitzondering van de gevallen, bedoeld in artikel 24, tweede lid, van Richtlijn 2004/38/EG.",DOC23615,, | |
| 91,"Wanneer heeft een persoon van 18, 19 of 20 jaar recht op bijzondere bijstand?","Een persoon van 18, 19 of 20 jaar heeft recht op bijzondere bijstand voorzover zijn noodzakelijke kosten van het bestaan uitgaan boven de bijstandsnorm en hij voor deze kosten geen beroep kan doen op zijn ouders, omdat: a. de middelen van de ouders daartoe niet toereikend zijn; of b. hij redelijkerwijs zijn onderhoudsrecht jegens zijn ouders niet te gelde kan maken.",DOC23617,, | |
| 92,Wanneer heeft iemand geen recht op bijstand?,"Geen recht op bijstand heeft degene: a. aan wie rechtens zijn vrijheid is ontnomen; b. die zich onttrekt aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel; c. die zijn militaire of vervangende dienstplicht vervult; d. die wegens werkstaking of uitsluiting niet deelneemt aan de arbeid, voorzover diens gebrek aan middelen daarvan het gevolg is; e. die per kalenderjaar langer dan vier weken verblijf houdt buiten Nederland dan wel een aaneengesloten periode van langer dan vier weken verblijf houdt buiten Nederland; f. die jonger is dan 18 jaar; g. die bijstand vraagt ter gedeeltelijke of volledige aflossing van een schuldenlast en die overigens bij het ontstaan van de schuldenlast, dan wel nadien, beschikte of beschikt over de middelen om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien; h. die een uitreiziger is.",DOC23618,, | |
| 93,Wanneer heeft iemand geen recht op algemene bijstand?,"Geen recht op algemene bijstand heeft degene: a. van 18, 19 of 20 jaar die in een inrichting verblijft; b. die onbetaald verlof geniet als bedoeld in artikel 1, onderdeel g, van de Werkloosheidswet of die gehuwd is met een zodanig persoon, voor zover diens gebrek aan middelen daarvan het gevolg is, tenzij de belanghebbende alleenstaande ouder is en hij verlof geniet als bedoeld in hoofdstuk 6 van de Wet arbeid en zorg; c. die jonger is dan 27 jaar en uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs kan volgen en: 1°. in verband daarmee aanspraak heeft op studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000, dan wel 2°. in verband daarmee geen aanspraak heeft op studiefinanciering en dit onderwijs niet volgt; d. die jonger is dan 27 jaar en uit wiens houding en gedragingen ondubbelzinnig blijkt dat hij de verplichtingen, bedoeld in artikel 9, eerste lid, of artikel 55 niet wil nakomen.","DOC23618,DOC23619",, | |
| 94,Wanneer verlaagt het college in ieder geval de bijstand?,"Het college verlaagt in ieder geval de bijstand overeenkomstig het vijfde, zesde, zevende of achtste lid ter zake van het niet nakomen door de belanghebbende van de volgende verplichtingen: a. het aanvaarden of het behouden van algemeen geaccepteerde arbeid; b. het uitvoering geven aan de door het college opgelegde verplichting om ingeschreven te staan bij een uitzendbureau; c. het naar vermogen verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid in een andere dan de gemeente van inwoning, alvorens naar die andere gemeente te verhuizen; d. bereid zijn om te reizen over een afstand met een totale reisduur van 3 uur per dag, indien dat noodzakelijk is voor het naar vermogen verkrijgen, het aanvaarden of het behouden van algemeen geaccepteerde arbeid; e. bereid zijn om te verhuizen, indien het college is gebleken dat er geen andere mogelijkheid is voor het naar vermogen verkrijgen, het aanvaarden of het behouden van algemeen geaccepteerde arbeid, en de belanghebbende een arbeidsovereenkomst met een duur van tenminste een jaar en een netto beloning die ten minste gelijk is aan de voor de belanghebbende geldende bijstandsnorm, kan aangaan; f. het verkrijgen en behouden van kennis en vaardigheden, noodzakelijk voor het naar vermogen verkrijgen, het aanvaarden of het behouden van algemeen geaccepteerde arbeid; g. het naar vermogen verkrijgen, het aanvaarden of het behouden van algemeen geaccepteerde arbeid niet belemmeren door kleding, gebrek aan persoonlijke verzorging of gedrag; h. het gebruik maken van door het college aangeboden voorzieningen, waaronder begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling en mee te werken aan onderzoek naar zijn of haar mogelijkheden tot arbeidsinschakeling. Het college verlaagt de bijstand, overeenkomstig het negende, tiende en elfde lid, indien naar zijn oordeel een redelijk vermoeden bestaat dat belanghebbende niet of niet in voldoende mate de Nederlandse taal beheerst, noodzakelijk voor het naar vermogen verkrijgen, het aanvaarden en het behouden van algemeen geaccepteerde arbeid.","DOC23627,DOC23628,DOC23629,DOC23639",, | |
| 95,Wanneer neemt het college een toets af bij de belanghebbende ter oordeel of hij de Nederlandse taal in voldoende mate beheerst voor het verkrijgen van een bijstand?,"Het college neemt een toets bij de belanghebbende af, indien belanghebbende: a. niet gedurende acht jaar Nederlandstalig onderwijs heeft gevolgd; b. geen diploma voor het inburgeringsexamen dan wel de onderwijsroute, bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Wet inburgering 2021 kan overleggen; en c. geen ander document kan overleggen waaruit blijkt dat hij de vaardigheden in de Nederlandse taal beheerst.",DOC23639,, | |
| 96,Wanneer verlaagt de Sociale Verzekeringsbank de algemene bijstand?,"De Sociale verzekeringsbank verlaagt de algemene bijstand: a. ter zake van het niet of onvoldoende nakomen van de uit deze wet voortvloeiende verplichtingen, met uitzondering van de verplichting opgenomen in artikel 17, eerste lid; dan wel b. indien de belanghebbende naar het oordeel van de Sociale verzekeringsbank tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in het bestaan. De Sociale verzekeringsbank verlaagt in ieder geval de algemene bijstand overeenkomstig het zesde, zevende, achtste of negende lid ter zake van het niet nakomen door de belanghebbende van de volgende verplichtingen: a. het aanvaarden of het behouden van algemeen geaccepteerde arbeid; b. het uitvoering geven aan de door het college opgelegde verplichting om ingeschreven te staan bij een uitzendbureau; c. het naar vermogen verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid in een andere dan de gemeente van inwoning, alvorens naar die andere gemeente te verhuizen; d. bereid zijn om te reizen over een afstand met een totale reisduur van 3 uur per dag, indien dat noodzakelijk is voor het naar vermogen verkrijgen, het aanvaarden of het behouden van algemeen geaccepteerde arbeid; e. bereid zijn om te verhuizen, indien het college is gebleken dat er geen andere mogelijkheid is voor het naar vermogen verkrijgen, het aanvaarden of het behouden van algemeen geaccepteerde arbeid, en de belanghebbende een arbeidsovereenkomst met een duur van tenminste een jaar en een netto beloning die ten minste gelijk is aan de voor de belanghebbende geldende bijstandsnorm, kan aangaan; f. het verkrijgen en behouden van kennis en vaardigheden, noodzakelijk voor het naar vermogen verkrijgen, het aanvaarden of het behouden van algemeen geaccepteerde arbeid; g. het naar vermogen verkrijgen, het aanvaarden of het behouden van algemeen geaccepteerde arbeid niet belemmeren door kleding, gebrek aan persoonlijke verzorging of gedrag; h. het gebruik maken van door het college aangeboden voorzieningen, waaronder begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling en mee te werken aan onderzoek naar zijn of haar mogelijkheden tot arbeidsinschakeling.","DOC23713,DOC23714,DOC23715",, | |
| 97,Wanneer kan er bijstand worden verleend in de vorm van een geldlening of borgtocht?,Bijstand kan worden verleend in de vorm van een geldlening of borgtocht indien: a. redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de belanghebbende op korte termijn over voldoende middelen zal beschikken om over de betreffende periode in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien; b. de noodzaak tot bijstandsverlening het gevolg is van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan; c. de aanvraag een door de belanghebbende te betalen waarborgsom betreft; d. het bijstand ter gedeeltelijke of volledige aflossing van een schuldenlast betreft.,DOC23729,, | |
| 98,Wanneer kan het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend kosten van bijstand terugvorderen?,"Het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend kan kosten van bijstand terugvorderen, voorzover de bijstand: a. anders dan in het eerste lid, ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend; b. in de vorm van geldlening is verleend en de uit de geldlening voortvloeiende verplichtingen niet of niet behoorlijk worden nagekomen; c. voortvloeit uit gestelde borgtocht; d. ingevolge artikel 52 bij wijze van voorschot is verleend en nadien is vastgesteld dat geen recht op bijstand bestaat; e. anderszins onverschuldigd is betaald voorzover de belanghebbende dit redelijkerwijs had kunnen begrijpen, of f. anderszins onverschuldigd is betaald, waaronder begrepen dat: 1°. de belanghebbende naderhand met betrekking tot de periode waarover bijstand is verleend, over in aanmerking te nemen middelen als bedoeld in paragraaf 3.4 beschikt of kan beschikken; 2°. bijstand is verleend met een bepaalde bestemming en naderhand door de belanghebbende vergoedingen of tegemoetkomingen worden ontvangen met het oog op die bestemming.","DOC23748,DOC23749",, | |
| 99,"Wanneer kan de vreemdeling aanspraak maken op voorzieningen, verstrekkingen en uitkeringen?","De vreemdeling, bedoeld in het eerste lid, kan aanspraken maken op voorzieningen, verstrekkingen en uitkeringen, indien hij: a. rechtmatig verblijf heeft, als bedoeld in artikel 8, onder a, tot en met e en l; b. rechtmatig verblijf heeft, als bedoeld in artikel 8, onder f, g, h, en een aanspraak wordt toegekend bij of krachtens de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers, dan wel bij of krachtens een ander wettelijk voorschrift, waarin aanspraken van deze vreemdelingen zijn neergelegd; c. rechtmatig verblijf heeft, als bedoeld in artikel 8, onder i tot en met k, voor de aanspraken die uitdrukkelijk aan deze vreemdelingen zijn toegekend.",DOC21999,, | |
| 100,Wanneer kan een terugkeervisum geweigerd worden?,"Een terugkeervisum kan worden geweigerd indien: a. de vreemdeling niet door overlegging van documenten aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een dringende reden die geen uitstel van vertrek mogelijk maakt; b. de vreemdeling niet zelfstandig beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding; c. de vreemdeling zich gedurende zijn verblijf in Nederland aan maatregelen van toezicht op grond van deze wet heeft onttrokken; d. uit oogpunt van toezicht op grond van deze wet, opsporing of vervolging van strafbare feiten, tenuitvoerlegging van een vonnis of om andere gewichtige redenen bezwaar bestaat tegen vertrek uit Nederland van de vreemdeling; e. het naar het oordeel van Onze Minister in de rede ligt dat binnen de geldigheidsduur van het terugkeervisum een beslissing als bedoeld in artikel 8, onderdeel f, g of h, kan worden verwacht; f. de vreemdeling in afwachting is van de beslissing op diens aanvraag om een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 dan wel in afwachting is van de beslissing op een bezwaarschrift of een beroepschrift tegen een dergelijke beslissing en niet heeft beschikt over de vereiste machtiging tot voorlopig verblijf, overeenkomend met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd, dan wel niet op grond van het bepaalde bij of krachtens deze wet van de verplichting tot het beschikken over een machtiging tot voorlopig verblijf is vrijgesteld of ontheven; of g. de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of de nationale veiligheid dan wel zich schuldig heeft gemaakt aan of verdacht wordt van terrorisme, oorlogsmisdaden, of andere misdaden tegen de menselijkheid.","DOC21974,DOC21975",, | |
| 101,Wanneer kan een ontheffing volgens de opiumwet worden ingetrokken?,"Een ontheffing kan worden ingetrokken: a. indien de houder van de ontheffing handelt in strijd met een bij of krachtens deze wet gesteld voorschrift; b. in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur.",DOC1254,, | |
| 102,Wanneer heb ik recht op algemene bijstand?,"Je hebt recht op algemene bijstand als je een in Nederland woonachtige Nederlander bent (of een vreemdeling die in Nederland verblijft op grond van artikel 8, onderdeel a, b, c, d, e of l van de Vreemdelingenwet), en: a. het niet zo is dat je vrijheid je op rechtmatige wijze is ontnomen; b. geen militaire of vervangende dienstplicht vervuld; c. het is niet zo dat je gebrek aan middelen belanghebbende het gevolg is van het, wegens werkstaking of uitsluiting, niet deelnemen aan de arbeid; d. je langer dan vier weken per kalenderjaar verblijf hebt buiten Nederland; e. je jonger bent dan 18 jaar; f. je bijstand vraagt ter gedeeltelijke of volledige aflossing van een schuldenlast (die overigens bij het ontstaan van de schuldenlast, dan wel nadien, beschikte of beschikt over de middelen om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien); g. het niet zo is dat je 18, 19 of 20 jaar bent en in een inrichting verblijft; h. je gebrek aan middelen het gevolg is van onbetaald verlof; i. je 27 jaar of jonger bent en uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs kan volgen (dan heb je recht op studiefinanciering, of je zou dat kunnen hebben als je een opleiding volgt); j. je 27 jaar of jonger bent en uit je houding en gedragingen ondubbelzinnig blijkt dat je de verplichtingen met betrekking tot het naar vermogen aanvaarden en behouden van algemeen geaccepteerde arbeid (zie artikel 9 lid 1 Pw) en arbeidsinschakeling (zie art. 55 Pw) niet wil nakomen; k. het in aanmerking te nemen inkomen lager is dan de bijstandsnorm; l. er geen in aanmerking te nemen vermogen is.","DOC23578,DOC23579,DOC23615,DOC23616,DOC23619,DOC23620,DOC23645,DOC23744",, | |